Pater Adolfo Nicolás sj over de heiligverklaring van Pierre Favre sj

zo 22 dec 2013 Jezuïeten / Kerk / Spiritualiteit / Wereldwijd /
Pater Adolfo Nicolás sj over de heiligverklaring van Pierre Favre sj

Officiële brief van de Algemene Overste van de Sociëteit van Jezus

Officiële brief van de Algemene Overste van de Sociëteit van Jezus

Op 17 december 2013 heeft pater Adolfo Nicolás sj onderstaande brief geschreven nav de heiligverklaring van Pierre Favre sj.

Aan de hele Sociëteit van Jezus,

Beste broeders en vrienden in de Heer,

Met groot genoegen richt ik mij tot de gehele Orde ter gelegenheid van de heiligverklaring door paus Franciscus van Pierre Favre, “de stille metgezel” van de eerste generatie van de jezuïeten. Op zijn verjaardag wilde onze Heilige Vader aan de universele Kerk een geschenk geven dat voor hem zeer belangrijk en kostbaar is.

De heiligverklaring van Pierre Favre valt toevallig samen met een andere grote gebeurtenis op de weg, of kairos, vande jezuïeten: de tweehonderdste verjaardag van het herstel van de Sociëteit in 1814. Zonder enige twijfel kan onze geliefde medebroeder uit Savoye ons stimuleren en ons aansporen, als individuen en als Orde, tot een dynamische versterking van ons leven als jezuïet, een leven dat nooit volledig kan zijn, want wij zijn altijd op bedevaart. Het transparante, spontane en bijna kinderlijke geloof dat Favre ons liet zien, kan ons helpen om, volgens de ignatiaanse manier van doen, “metgezellen in Zijn Sociëteit” te blijven, vol van “Hem die is en die alles doet in allen, Hem in wie alle wezens leven en bewegen, Hem in wie zij allen bestaan” (Memoriale, 245).

“Prijs de Heer, mijn ziel, en vergeet Zijn weldaden nooit.” Pierre Favre koos dit beginvers van psalm 102 om de deur van zijn diepste innerlijk te openen in zijn Memoriale. Het vat in enkele woorden samen de basishouding van Favre tegenover het leven en tegenover God: zegen, geheugen en dankbaarheid.

Hoewel de menselijke en religieuze gestalte, evenals de grote daden van enkele van zijn medebroeders (Ignatius, Xaverius, Laínez, Borgia of Canisius) er toe kan hebben geleid dat wij de persoon en prestaties van Favre over het hoofd hebben gezien of zelfs hebben genegeerd, herkennen we vandaag in zijn leven en erfenis een manier van doen die werkelijk ignatiaans is en diep geworteld in de persoon van onze Heer; Favre was een echte metgezel van Jezus.

Op 1 augustus 1546 overleed Favre in Rome, nauwelijks veertig jaar oud. Hij was de tweede van de eerste gezellen van Parijs die overleed; Jean Codure was overleden in augustus 1541. Favre was een paar dagen eerder in de Eeuwige Stad aangekomen vanuit Coimbra, uitgeput door de lange en moeilijke reis. Terwijl zijn vrienden Laínez, Salmerón, en Le Jay op hem  wachtten in Trente en er naar uitzagen hem te zien, begon het volgende nieuws zich te verspreiden in Europa: “Meester Favre is nu in een beter Concilie; hij heeft dit leven verlaten op de eerste dag van augustus” (Monumenta Lainii I, 52).

Wat leert “Meester Favre” ons nu, bijna 470 jaar na zijn dood, met de voor hem zo karakteristiekepedagogie van de zachte stem? En wat kunnen wij persoonlijk van hem leren als “we ons overgeven aan Christus en Hem de kern van ons hart laten innemen”? (Memoriale, 68)

Door God’s voorzienigheid gingen eind september 1529 drie studenten samenwonen op de derde verdieping van het Collège Sainte-Barbe in Parijs: Pierre Favre, Franciscus Xaverius en Ignatius van Loyola. Na vijf jaar van gedeelde studie en ervaringen, ging Favre op 15 augustus 1534 op Montmartre voor in een eucharistieviering waarin de eerste zeven “vrienden in de Heer” hun ogen en harten richtten op eenzelfde verlangen: Jeruzalem. Dit was het begin van een onvoorzien project, de Sociëteit van Jezus, dat tot vandaag loopt met vitaliteit en verrassingen.

Toen Ignatius in maart 1535 vertrok naar zijn geboorteplaats Azpeitia, bleef “Meester Favre” achter “als onze oudere broer” (Laínez aan Polanco, FN I, 104) om het welzijn en de groei van de groep te overzien. Wat voor soort leiderschap oefende Pierre Favre uit? Dankzij zijn aandacht en vriendschap is de “minste sociëteit” niet opgehouden te groeien in aantal en deugd. Door middel van gesprekken en de Geestelijke Oefeningen sloten eerst Claude Le Jay, Jean Codure en Paschase Broët zich aan bij de groep. Later werden Francisco de Borgia en Petrus Canisius lid van de Sociëteit van Jezus. Het vuur dat al brandde in zijn hart begon andere vuren te ontsteken. In Favre herkennen we de broer die waakt over en zorgt voor de “vereniging van zielen”, het behoud en de groei van het lichaam, de opbouw van het werk dat zijn geliefde “Gezelschap van Jezus” zou worden, met de vurige wens dat “allerlei goede verlangens van heiligheid en rechtvaardigheid in haar geboren zouden worden.” (Memoriale, 196)

In 1577, aan het einde van zijn leven, herinnerde Simon Rodriguez zich Pierre Favre, die 31 jaar eerder was overleden: “Hij was de meest vriendelijke en innemende persoon in zijnomgang en gesprekken met mensen die ik ooit in mijn leven heb ontmoet. (…) Met zijn bescheidenheid en charme won hij voor God de harten van degenen met wie hij omging.” Favre is voor ons een Meester in de retoriek van het goddelijke, iemand die “in welk onderwerp ook maar en zonder aanstoot te geven in alles aanleiding vond om over God te spreken.” (Monumenta Broetii, 453) Begin 1534 deed hij de Geestelijke Oefeningen met Ignatius in de buurt van de Saint-Jacques kerk in Parijs. Vanaf die tijd had Favre als geen ander een doorvoeld begrip van deze manier van spreken tussen de Schepper en Zijn schepsels. Hij paste dit zo gevoelig en nauwkeurig toe bij anderen dat Ignatius van hem zei dat “hij de Geestelijke Oefeningen gaf als geen ander.” (Luís Gonçalvez da Câmara, Memoriale, FN I , 658)  In Favre herkennen we een man met het ignatiaanse charisma, gevormd door de Oefeningen, bereid om God te zoeken en te vinden in alle dingen, en altijd creatief wanneer zich de gelegenheid voordeed om “een manier en een structuur voor te stellen” voor het gebed van heel verschillende mensen in de meest uiteenlopende situaties.

Gesprekken met hem waren zo vruchtbaar, omdat zij voortkwamen uit een innerlijk leven vervuld van de aanwezigheid van God. In Favre ontdekken we de mysticus in de geschiedenis en in de wereld; midden in de wereld, maar levend in het besef dat “al het goede en alle gaven van boven neerdalen.” (G.O. 237)  Elke omstandigheid, elke plaats en elk moment was voor Favre een mogelijkheid om God te ontmoeten. Pierre Favre was boven alles, maar zonder zich hierop te beroemen, een meester van het gebed. Hij begreep dat zijn vriendschap met Jezus gebaseerd was op de mysteries van het leven van Christus, “lessen van de Geest” voor zijn roeping en op zijn weg om aan Christus gelijk te worden, die hij vroom overwoog om er “voordeel uit te trekken.” Favre bad in een ​​constante samenspraak met Jezus en Maria, de engelen en heiligen, martelaren en “privé heiligen”, onder wie de grote mentor uit zijn jeugd Pierre Velliard, die hij als een heilige beschouwde. Hij bad met de elementen van de natuur, met de seizoenen, met tegenslagen en met ziekte. Hij bad voor de Kerk, voor de Paus, voor de jezuïetenorde, voor ketters en vervolgers. Hij bad met zijn lichaam en zintuigen. Hij geloofde in het voortdurend gebed; zijn leven was doordrongen van het Mysterie. Hij was ervan overtuigd dat God van hem een tempel gemaakt had en hij was in voortdurende dialoog met Hem.

Het is misschien vanuit deze instelling, stevig geworteld in Christus, dat hij de betekenis vond voor zijn zo gevarieerd en vruchtbaar apostolaat: hij gaf catechismus aan kinderen, preekte aan het hof, hield conferenties in Duitsland, richtte colleges op in Spanje (Alcalá, Valladolid) en Duitsland, doceerde theologie in Rome. Het werd Favre gegeven om “te smaken en te proeven” wat één van zijn medebroeders later zou noemen “contemplatie in de actie”.

Zijn pogingen om mensen te verzoenen waren een onderdeel van deze “actie”. Ignatius kende zijn buitengewone gaven als goed gesprekspartner en hij aarzelde dan ook niet om hem naar die plaatsen in Europa te sturen waar de conflicten het hoogst opliepen. Hij was een groot voorbeeld van de vele jezuïeten van de eerste generaties die zich toelegden op het apostolaat van de verzoening. (Formula Instituti [1550], I)  Zoals dit ook naar voren kwam op onze laatste Algemene Congregatie, werkte Favre intensief om de eenheid te bewaren en om de vrede tot stand te brengen in een Europa dat in theologisch opzicht woelige tijden doormaakte en waar vele religieuze en politiek-kerkelijke conflicten oplaaiden.

Worms (in 1540) en Regensburg (in 1541) zijn twee plaatsen waar Favre probeerde een grotere overeenstemming en meer harmonie tot stand te brengen – met pijn in zijn hart zag hij echter dat de kansen hierop steeds kleiner werden. Favre verenigde van nature pietas en eruditio in zich, hij combineerde theologische diepgang met een wijze en discrete spirituele vorm en zo kon hij het juiste gebaar of precies dat woord vinden dat nodig was in de gegeven omstandigheden. Hij had zich de volgende leidraad uit de Geestelijke Oefeningen eigen gemaakt: probeer het voorstel van je naaste eerder “te sauveren dan te veroordelen.” (G.O. 22)  “Wie de afvalligen van tegenwoordig wil helpen, dient veel naastenliefde voor hen te voelen en van hen te houden in waarheid” en “op een basis van vertrouwen met hen communiceren.” (Monumenta Fabri, 399-402)  Deze manier van doen van Favre uit de begintijd van de Sociëteit komt overeen met onze hedendaagse roeping om aanwezig te zijn aan de grenzen en bruggen van verzoening te bouwen.

In het spoor van zijn dierbare metgezel in Parijs was ook Favre een pelgrim en verpersoonlijkte hij de mystiek van het onderweg zijn, zo kenmerkend voor de eerste jezuïeten. “Het lijkt erop dat Favre geboren werd om nergens te rusten,” schreef de secretaris van de orde. (Monumenta Ignatiana, Epistolae I, 362)  De duizenden kilometers die hij aflegde in het Europa van zijn tijd illustreren zijn inzet, beschikbaarheid en gehoorzaamheid. Hij was zo veel “onderweg of in ballingschap” (Monumenta Fabri, 419-420), dat “als een eeuwige vreemdeling (…) ik een pelgrim zal zijn op alle plaatsen waar de wil van God mij heenleidt zo lang als ik leef.” (Monumenta Fabri, 255)

Favre bracht dit verlangen spontaan in verband met de gelofte van gehoorzaamheid – zoals deze in de woorden van de honderdman tot Jezus tot uiting komt: “‘Kom’, en hij komt; ‘Ga’, en hij gaat.” (Mt:8,9)  “Voor Hem alleen – voor Jezus – heb ik op zoveel verschillende plaatsen gewoond (…) waarbij ik mij meer dan eens bevond op plaatsen die besmet of bedreigd waren door allerlei ziekten.” In de kou, vermoeid, in extreme weersomstandigheden, in armoede … altijd wist Favre zijn contemplatieve blik te behouden. “Gezegend zij Hij die ons beschermd heeft onder al deze omstandigheden, mijzelf en al degenen van wie de situatie dezelfde was of anders.” (Memoriale, 286)

Vandaag hebben wij ook alle reden om met beheerste vreugde Pierre Favre te blijven zien als onze “oudere broer”. Zijn manier van aanwezig zijn is een zegen voor ons, hij herinnert ons er aan om nederig te blijven en voortdurend terug te keren naar onze “kleinste Sociëteit”. Door dicht bij hem te blijven, houden wij de verleidingen tot triomfalisme of arrogantie op afstand. Favre brengt de roeping tot uitdrukking “om onze blik gericht te houden op God en in alles te proberen Zijn wil te doen in dit Instituut dat het Zijne is.” (vgl. Formula Instituti, 1)  Pierre Favre roept ons op om zorg en aandacht te hebben voor de Sociëteit van Jezus; hij verpersoonlijkt de oproep tot dialoog en onvoorwaardelijke openheid, gehoorzame beschikbaarheid en overgave vol vertrouwen. Met  Favre naast ons wordt de volgende uitspraak extra duidelijk: “U hebt het mij gegeven, aan U, Heer, geef ik het terug.” (G.O. 234)

Ter gelegenheid van de heiligverklaring van deze nederige “vriend in de Heer”, zien we weer met “waarachtige blijdschap” (G.O. 329) en dankbare verrassing, hoe zeer God Zijn Sociëteit nabij is: wij voelen Zijn oneindige goedheid, Hij zegent ons met de herinnering en de aanwezigheid van Pierre Favre onder ons vandaag.

In deze adventstijd worden wij uitgenodigd om de wegen van de Heer vlak te maken en om Zijn komst voor te bereiden. Dat Hij ons het licht mag geven zodat wij het beste van onszelf genereus in dienst stellen van de Kerk.

Met broederlijke groeten,

Adolfo Nicolás sj

Algemene Overste

Rome, 17 december 2013

Bekijk alle nieuwsberichten

Deel