Charles Garnier sj

1606 – 1649

Charles Garnier sj

Charles Garnier werd geboren op 26 mei 1606. Zijn vader maakte deel uit uit van de hofhouding van koning Hendrik III. Op 5 september 1624 trad hij te Parijs in bij de jezuïeten. Elf jaar later ontving hij de priesterwijding. Onmiddellijk bood hij zich aan voor de indianenmissies in Nieuw-Frankrijk (= nagenoeg het huidige Noord-Amerikaanse continent), maar zijn vader protesteerde heftig, en voorlopig werd Charles’ verzoek geseponeerd. In 1636 herhaalde hij zijn verzoek. Nu hield zijn vader zich stil. Op 8 april 1636 nam hij de boot uit Dieppe, in gezelschap van een aantal andere missionarissen, onder wie pater Isaac Jogues. Zij meerden in af in Québec op 11 juni, en op 1 juli was hij op weg naar Trois-Rivières om er de Huroonse indianen te ontmoeten die hun bont kwamen verhandelen. Half juli was hij onderweg naar de plaats van bestemming, Ihonatiria, waar hij op 13 augustus hartelijk werd begroet door pater Jean de Brébeuf.

Charles Garnier werd geboren op 26 mei 1606. Zijn vader maakte deel uit uit van de hofhouding van koning Hendrik III. Op 5 september 1624 trad hij te Parijs in bij de jezuïeten. Elf jaar later ontving hij de priesterwijding. Onmiddellijk bood hij zich aan voor de indianenmissies in Nieuw-Frankrijk (= nagenoeg het huidige Noord-Amerikaanse continent), maar zijn vader protesteerde heftig, en voorlopig werd Charles’ verzoek geseponeerd. In 1636 herhaalde hij zijn verzoek. Nu hield zijn vader zich stil. Op 8 april 1636 nam hij de boot uit Dieppe, in gezelschap van een aantal andere missionarissen, onder wie pater Isaac Jogues. Zij meerden in af in Québec op 11 juni, en op 1 juli was hij op weg naar Trois-Rivières om er de Huroonse indianen te ontmoeten die hun bont kwamen verhandelen. Half juli was hij onderweg naar de plaats van bestemming, Ihonatiria, waar hij op 13 augustus hartelijk werd begroet door pater Jean de Brébeuf.

Twee jaar lang leerde hij van deze oude pater de Huroonse taal. Toen hij die eenmaal machtig was, betrok hij zijn standplaats Ossosané. In november 1639 werd hij tezamen met pater Jogues uitgestuurd naar de Petun-Indianen. Deze stonden nogal vijandig tegenover de zwartrokken, omdat die naar hun oordeel verantwoordelijk waren voor de besmettelijke ziekten die hun gebied enige tijd terug geteisterd hadden.

Intussen blijkt dat dat in zekere zin ook het geval is. De Europeanen brachten ziektekiemen mee, waar zij wel, maar de Indianen niet tegen bestand waren.

Eén winter brachten ze door temidden van de Petun-Indianen. Toen moesten de paters toegeven dat ze er geen voet aan de grond kregen, en ze keerden terug naar Ossasané. Maar deze mislukking liet pater Charles niet met rust. In 1640 keerde hij terug naar de Petun-Indianen, nu in gezelschap van een scholastiek (= jezuïetenstudent). Het is niet duidelijk hoe lang hij er gebleven is. Zeker is dat hij van 1644 tot 1646 verbleef bij de reeds bekeerde Huronen in de nederzetting St-Ignace. In de winter van 1647 ging hij voor de derde keer naar de Petun-Indianen, nu tezamen met een andere pater, Leonard Garreau. De inlanders waren bevattelijker dan ooit voor het evangelie. Hij stichtte twee missiestaties en bouwde in elk van beide een kapelletje: Etarita, waar hijzelf bleef, en Ekarreniondi, waar de andere pater Garreau ging wonen. In korte tijd kon hij bij honderdvierentachtig indianen het doopsel toedienen.

Intussen namen de dreigingen en de invallen van de vijandige Irokezenstam hand over hand toe. Op 4 juli 1648 hadden ze de missiestatie Teanaustayé platgebrand en pater Antoine Daniel gedood. In november 1649 berichtten de Huronen dat de Irokezen de oorlog hadden verklaard aan de Petun-Indianen en dat ze al hun nederzettingen nog deze winter zouden platbranden. Hierop gebood pater Garnier dat de assistent die juist was aangekomen, pater Noël Chabanel, naar Ste-Marie moest terugkeren. Al was er nog veel te doen, er mocht geen onnodig risico worden gelopen. Pater Chabanel vertrok op 5 december.

Twee dagen later klonk de angstige kreet: “De Irokezen!” De vijandelijke indianen zaaiden dood en verderf. Pater Garnier rende overal rond om zo veel mogelijk mensen een veilig heenkomen te bieden of om hun op het laatste moment het doopsel toe te dienen. Hijzelf ontkwam echter niet. Toen hij een hut wilde binnengaan van een zieke man met de bedoeling hem te dopen voor hij stierf, werd hij getroffen door een vijandelijke kogel. Hij stortte neer in de sneeuw. Onmiddellijk schoten Irokezen toe en ontdeden hem van zijn kleren. Naakt bleef hij achter.

Een veelbetekenend détail. Een heilige doet ons aan Jezus herinneren. Welnu, hadden ze Jezus destijds niet net zo van zijn kleren ontdaan, vlak voordat hij zo gewelddadig ter dood werd gebracht?

Toen pater Garnier enige ogenblikken later bijkwam, zag hij enkele meters van zich vandaan een stervende Petun-Indiaan. Hij probeerde nog naar hem toe te kruipen, wellicht om hem nog te dopen, maar zodra de Irokezen merkten dat hij nog leefde, dreven ze hem een lans door zijn schedel.

Een uur gaans verderop in de missiepost van St-Matthias, zag pater Garreau hoe er rook opsteeg uit de statie van Etarita, en begreep wat er aan de hand was. Zijn dorpsgenoten brachten zo goed mogelijk beveiligingen en versterkingen aan, maar wonder boven wonder gaven de Irokezen hun strooptocht op en lieten St-Matthias ongemoeid. De volgende dag gingen ze kijken in Etarita, vonden het lijk van pater Garnier en begroeven het in de bevroren grond naast de smeulende resten van de kapel. Toen de paters twee jaar later de Huronenmissie moesten verlaten, brachten ze het stoffelijk overschot van pater Garnier mee naar Québec.

Hij werd tezamen met de zeven andere Canadese jezuïetenmartelaren op 21 juni 1925 door paus Pius XI zalig en op 29 juni 1930 heilig verklaard.

Bekijk alle portretten

Deel