Mijn gesprekken met paus Franciscus

Adolfo Nicolás sj was de algemene overste van de Sociëteit van Jezus van 2008 tot 2016. Nadat de 36e algemene congregatie was afgesloten, bracht hij een paar weken door in Spanje alvorens te vertrekken naar de Filippijnen, waar hij werkte toen hij tot generaal gekozen werd. Tijdens zijn verblijf in Madrid vroeg broeder Wenceslao Soto hem een aantal herinneringen op papier te zetten van de ontmoetingen tijdens zijn mandaat met paus Franciscus.

 

Het zou heel moeilijk zijn om al deze ontmoetingen te onthouden in chronologische volgorde. Daarom geef ik de voorkeur aan een thematisch verhaal waarin het gemakkelijker is om een zekere orde te houden en waarin van de lezer niet gevraagd wordt bepaalde leegtes op te vullen.

Dit is een verzameling herinneringen van een tachtigjarige – verwacht geen nauwkeurigheid, de vergeetachtigheid komt met de jaren. Ook zal het niet altijd mogelijk zijn de gedachten van de paus duidelijk te scheiden van die van de auteur, die al een zekere leeftijd heeft. Wanneer iets u minder geloofwaardig overkomt, doet u er goed aan dit eerst te controleren en vervolgens te vergeven – per slot van rekening zijn het slechts herinneringen.

Algemene indrukken

Mijn eerste indrukken kwamen overeen met die in de pers over de hele wereld verschenen. Ik had altijd de indruk een man tegenover me te hebben die dichtbij de mensen staat, oprecht is en voor wie het Evangelie en niet de gangbare norm het laatste woord heeft. Hij is een man die uitermate goed op de hoogte is over wat men over hem denkt, ten goede en ten kwade. Hij weet heel goed wie hem bekritiseren (zonder ooit de geringste wrok tegenover hen te koesteren), waarom, en wat er de adequate reactie op is – dat wil zeggen, een evangelische met een gezonde dosis humor.

Hij zei ooit tegen me: “Ze hebben in de eerste plaats kritiek op me omdat ik niet genoeg spreek als paus (en we weten allemaal hoe hij altijd heeft vermeden anderen te veroordelen, hoezeer de samenleving ook meende dat sommige mensen al ‘berecht en veroordeeld’ waren) en, ten tweede, omdat ik me niet als een koning gedraag.” In het kader van de ignatiaanse spiritualiteit, zoals die van hem, was het voor mij heel duidelijk dat hij zich niet in het minst iets van deze twee punten van kritiek aantrok.

Tegelijkertijdis de reactie van de mensen in het algemeen op alle continenten buitengewoon geweest. Zoals een lid van de nieuwe algemene raad in de curie het zei: “De gewone mensen (hier kunt u invullen “van ieder land” en dit komt overeen met mijn persoonlijke ervaring) stemmen allen in met de paus; de bisschoppen niet, maar die spreken niet; de geestelijkheid evenmin, maar die spreken wel.”

Op een bijeenkomst zei een vooraanstaande leek mij: “Als u de gelegenheid heeft, bedank de paus dan voor het teruggeven van de Kerk aan ons; we dachten dat deze een vrije val maakte, absoluut bergafwaarts ging en nu zien we haar in verbazend goede vorm. Een Italiaanse journalist zei me onlangs dat veel (niet weinig) gezinnen die zich lange tijd geleden hadden gedistantieerd van de Kerk, nu samen de homilies van paus Franciscus in Santa Marta lezen, omdat deze hen iets te zeggen hebben.

Een andere journalist, ook Italiaan, heeft mij geschreven dat voor het eerst sinds vele jaren de armen de paus kunnen citeren, omdat ze hem begrijpen.

De jezuïetenorde

Toen kardinaal Tauran aankondigde: “Habemus papam” en ik de naam van Jorge Mario hoorde, wist ik dat we een periode van onzekerheid tegemoet gingen. Maar deze duurde niet lang. De nieuwe paus belde de curie op en een scène die algemeen bekend geworden is, ontrolde zich: “Ik ben paus Franciscus en ik wil spreken met de algemene overste.” “Als jij de paus bent, dan ben ik Napoleon” dacht de jongen in de portiersloge – hij zei het niet, maar hij dacht het wel. De paus voelde de twijfel en vroeg: “Hoe heet je?” “Andrea” was het antwoord. “En hoe gaat het met je, Andrea? Een beetje in de war?” Uiteindelijk is de jongen bescheiden en hij zei: “Een beetje.” Vervolgens kreeg mijn socius, broeder Wobeto, de schrik te pakken; hij sprong op en kwam met grote stappen naar mijn bureau, kwam tot mijn verbazing zonder kloppen binnen, gaf me zijn mobieltje en zei alleen maar: “De paus.” Het was op een vrijdag.

Hij bedankte me voor een brief, niet om hem te feliciteren – in Rome feliciteren we nieuwe bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders niet vaak –, maar met het aanbod om met hem samen te werken in zijn nieuwe taak. Ik zei hem dat, wanneer hij zijn draai gevonden had in zijn nieuwe positie, ik hem graag zou willen komen bezoeken en mijn geloften in zijn aanwezigheid zou willen vernieuwen, zoals de algemene overste doet bij alle pausen. De paus zei me: “Heel goed, maar vanmiddag kan ik niet want ik moet naar de tandarts. Ik bel je nog.” Diep in mijn hart bedankte ik de tandarts, want ik was helemaal niet voorbereid op een dergelijke ontmoeting. Hij belde me de volgende zondag en het meest interessante is dat hij me zei: “Kom naar Santa Marta want morgen moet ik verhuizen naar het Apostolisch Paleis en hier heb ik meer vrijheid.” Dit wil dus zeggen dat hij de beslissing om in Santa Marta te blijven op het laatste moment heeft genomen.

Het gesprek verliep in grote vrede en zonder ophef. Zozeer zelfs dat ik durfde te vragen: “Hoe vindt u dat de jezuïetenorde ervoor staat?” Ik moet bekennen dat ik erg verbaasd was toen hij me zei: “Ik denk dat deze er goed voorstaat.” Ik had een en ander gehoord over hoe kardinaal Bergoglio over de orde dacht en dat waren heel andere geluiden. Ik aanvaardde wat ik zojuist gehoord had zonder probleem en gaf dit de volgende dag zo door aan de algemene raad.

Het religieuze leven

Paus Benedictus XVI beschouwde het religieuze leven al als een belangrijk, zo niet essentieel, onderdeel van het leven van de Kerk. Deze visie, met haar implicaties, is ook van toepassing met paus Franciscus. Toen we tijdens een van onze gesprekken kwamen op pater Lorenzo Ricci, generale overste tijdens de opheffing van de Sociëteit van Jezus, zei paus Franciscus: “Pater Ricci had veel te lijden.” Hierop zei ik: “Arrupe had ook veel te lijden en Kolvenbach bleef er ook niet van gevrijwaard, maar ik, zolang u paus bent, zal het gemakkelijker hebben.” Hierop glimlachte de paus en gingen we over op een ander onderwerp.

Paus Franciscus heeft een uiterst positieve opvatting over de beleving van het religieuze leven. Je merkt dat hij het van binnenuit kent en vanuit persoonlijke ervaring. Hij kent haar roemvolle hoogtepunten, maar ook de zwakheden, wereldsheid, zonden en tekortkomingen die vaak onder religieuzen voorkomen. Dit bleek duidelijk tijdens de ontmoeting van generale oversten met de paus in november 2013; een bijzonder oprechte, open en humorvolle bijeenkomst.

De paus heeft altijd geloofd dat het religieuze leven de erfgenaam is van de mystieke en profetische traditie van de Kerk. En toch, toen hij in aanraking kwam met de theorie dat tijdens de ballingschap de profetie verdween uit Israël tegelijk met het geloof en toen hij zag dat er ook in onze tijd sprake is van verlies van geloof, heeft hij als studieonderwerp gekozen de inspirerende maar ook mysterieuze overgang van de profetie naar de wijsheid, de derde taal van de Bijbel. Paus Franciscus is ervan overtuigd dat de wereld van vandaag – in het algemeen – meer wijsheid, minder dogma en meer betekenis nodig heeft om te leven en te hopen.

Hervorming van de Romeinse Curie

Het is overduidelijk dat paus Franciscus de Romeinse curie wil hervormen en dat hij dat wil doen volgens zo evangelisch mogelijke principes. Hij gaat daarin recht door zee en elke toespraak tot de curie (meestal rond Kerstmis) is een oproep aan allen om meer te leven volgens het Evangelie en zonder de vergoeilijking of de excuses waarmee we meestal zwaaien en waarmee we bepaalde misstanden toedekken.

Paus Franciscus ziet dat de hervorming van de curie alles te maken heeft met de geloofwaardigheid van de Kerk, en dit raakt in hem een missionaire snaar die uiterst belangrijk is voor hem. De kritische trouw of ontrouw van de curie aan het Evangelie versterkt of verzwakt haar missionair elan in het diepst van haar wezen.

Verdere uitleg is niet nodig. Of je begrijpt dit, en de paus heeft het zeker begrepen, óf niet, en dan zullen alle rationaliseringen uit de kast gehaald worden om de kracht van het Evangelie te verdoezelen.

Evangelisatie

Enige maanden geleden kwam in de bioscopen de film Silence van Scorsese uit. Een magistrale verfilming van het eveneens magistrale boek van Shusaku Endo. De evangelisatie vond nu publieke belangstelling en iedere zichzelf respecterende denker, zoals Sandro Magister in Italië, voelde de druk om een mening vormen. Nu, ik weet niet wat de paus denkt na Silence, we hebben elkaar sindsdien niet gesproken, maar het is algemeen bekend dat de paus vroeger als missionaris naar Japan wilde gaan.

Hoe zou pater Bergoglio geëvangeliseerd hebben? We weten het niet en we kunnen het ons niet voorstellen. Ik denk dat hij zich, eerder dan ik, zou hebben gerealiseerd dat het niet mogelijk is om Japan te evangeliseren zonder goede contacten met de Japanse boeddhisten en shintoïsten. De eerste christenen zochten intensief naar de wortels van het christendom in de heidense poëzie en filosofie van hun tijd; wij hebben dat niet gedaan met dezelfde ijver in Japan.

Priesterschap in de Kerk

Het lijkt mij belangrijk om dit thema aan te snijden, want het raakt de kern van de Sociëteit van Jezus, een “priesterlijke” orde in de Kerk.

Het eerste wat de paus onderstreept, is dat de priester er fundamenteel is “voor de anderen”. Ik verwijs naar het Nieuwe Testament (de brief aan de Hebreeën) waar de priesters geen bevoorrechte kaste vormen, wel mensen wiens centrale aandachtspunt het lijden van de “anderen” is en hoe dit te verminderen of de wereld uit te helpen.

Ten tweede (en ik verwijs nog steeds naar de Hebreeënbrief) dient de priester “te ruiken naar zijn schapen.” Dat wil zeggen dat hij zo nauw in contact dient te staan met het leven van de mensen, dat dit doorschijnt in zijn manier van denken en van leven.

Op de derde plaats is duidelijk dat het priesterschap geen bron van economische voordelen is en ook geen mooie eretitel. De priester heeft sociale impact; niet bij de machtigen (het aantal academische graden dat hij heeft doet er niet toe), maar bij Jan met de pet van wie de sociale positie volledig afhangt van wie hij dient (en hoe behoeftiger hij is, des te meer zal de Kerk hem waarderen).

Het priesterschap is geen “carrière”, hoewel het veel studie vereist en in sommige delen van de wereld deze studies afgerond worden met één of twee academische graden. Het priesterschap heeft niets van een carrière in de zin van “upwards social mobility”. De priester weet dat hij op het neerwaartse traject weinig mensen tegenkomt en dat hij in de dienst aan de armen weinig mededingers zal hebben. Dit pad is altijd breed en kent weinig verkeer.

De priester weet dat er in de Kerk geen ruimte is voor waarden die niet in overeenstemming zijn met het Evangelie. En daarom bestaan er voor de priester geen concurrentie, prestige, winstbejag, privileges, wraak en dergelijke. En termen als lijden, crisis, ziekte en zwakte geven enkele van de moeilijke situaties aan waarvan hem gevraagd wordt de impact te verminderen.

Migranten

Wat de paus hierover zegt, kan niet worden opgevat als een onverantwoordelijke uitroep die van immigratie een lek maakt waardoor terroristen kunnen binnenkomen en ook niet als een proclamatie tegen de wet. Het is de verantwoordelijkheid van de staten om, uit zorg voor de veiligheid van de grenzen, te bepalen hoe zij de mensen die binnengelaten willen worden al of niet toe te laten ​​en/of legaliseren.

Bovendien weten we allemaal dat wetten niet kunnen voorzien in alle situaties in een steeds complexere samenleving. De enige manier om de zorg van Franciscus te begrijpen, is ons vermogen ons voor te stellen: migranten, dat zijn wij.

De paus maakt zich ongerust over de kwaliteit van onze “menselijkheid”, van onze compassie en de daadwerkelijke mogelijkheden die we hebben om te delen wat we hebben ontvangen. Dit zijn enkele sleutels om zijn oproep te begrijpen.

Tenslotte zullen we, als we de vraag willen stellen in godsdienstige termen, nooit een werkelijk sluitende rationele rechtvaardiging kunnen vinden voor het bestaan van de grenzen. In ieder geval kun je hier geen beroep doen op de wil van God.

Pastorale zorg

Er is geen twijfel mogelijk datdit het sterke punt is van pausFranciscus. Zijn gevoeligheid voor de problemen van de mensen,zijn betrokkenheid op de armen,de zieken, de migranten enanderen waar in de burgerlijke maatschappijop wordt neergekeken, zijn nu al spreekwoordelijkeen staanvoor een maniervan paus zijn die ongekend en absoluut origineel is.

Ik herinner me dat toen we hier een keer over spraken de paus me met grote eenvoud zei dat hij niet wist waar deze kwaliteit in zijn omgang met mensen vandaan kwam. Hij zei, min of meer letterlijk, dat het iets moest zijn dat zijn positie met zich meebracht, iets wat anderen “de genade van staat” noemen. “Ik ben eigenlijk nogal stug van karakter en laat mijn gevoelens niet snel blijken (iets wat de jezuïeten van de provincie Argentinië kunnen bevestigen), daarom moet deze affectiviteit een onverdiend geschenk zijn dat ik gekregen heb samen met mijn positie.”

Nog maar twee jaar geleden werden tien algemene oversten uitgenodigd om deel te nemen aan de tweede sessie van de Synode over het gezin en het huwelijk, aangezien het een normale sessie betrof. Vlak voor de eerste sessie zei men dat ik gerust aan de paus kon vragen of hij een specifiek probleem had dat hij wilde benadrukken. Zijn antwoord was zeer duidelijk: “Breng geen theologische problemen ter sprake; we zouden in eindeloze discussies verzeild kunnen raken. Breng liever concrete punten van pastorale aard naar voren en bied een oplossing.” Dit gaf duidelijk aan wat de grootste zorg is van paus Franciscus.

Liturgie

Ook hier moeten we zoeken naar een ignatiaanse richting in deze kwestie. Het doet er niet toe hoe goed de liturgie ons bevalt in esthetisch opzicht, wat blijkbaar het geval was met Sint Ignatius. Waar het om gaat is het menselijk leven dat, in haar totaliteit, de belangrijkste liturgie is en waar men zich afvraagt hoe een meer authentiek christelijk leven te leiden. De volgende anekdote die dit perspectief verduidelijkt en die ik bij andere gelegenheden verteld heb, speelde zich af in een van onze scholen.

Een jongeman die lid was van de Nichiren sekte, die nogal negatief staat tegen elke vorm van christendom, werd aangenomen als leraar; hij had zijn overtuigingen verzwegen. Al snel begon hij allerlei activiteiten in de collegekapel te bekritiseren als hersenspoeling etc. De docenten voelden zich erg ongemakkelijk bij zoveel protesten van één van hen en ze vroegen een andere boeddhistische leraar om hen te helpen. Deze riep de jongeman bij zich en nadat hij zijn klachten had aangehoord, zei hij: “Het is duidelijk dat je niets begrijpt van het onderwijs op deze school. Kijk, want zodra je door de poort loopt, is ‘alles kapel’.” Dat is wat de paus zou willen dat onze visie zou zijn over het christelijk leven als een levende liturgie.

Leken

Het is duidelijk dat de leken de Kerk zijn en het is in het leven van leken dat de heiligheid en het getuigenis van het Evangelie wordt afgelegd. In onze bijeenkomsten spraken we weinig over de leken. Ik ben lid van een congregatie van geestelijken en het is normaal dat het onderwerp as such afwezig is – maar niet de gevolgen. Het bestaan ​​van geestelijken in de Kerk wordt slechts gerechtvaardigd door de noodzaak om een dienstdoend team te hebben in een zeer complexe organisatie. Er is geen plaats voor privileges, voordeeltjes, superioriteitsgevoelens in denken en in leven. De geestelijke is een dienaar. En als hij geluk weet te vinden in het dienen, dan zal hij gelukkig zijn tot het einde. En alleen gelukkige dienaren zijn goede dienaren.

Soms hoor je dat de pausvhet priesterschap geen goede dienst bewijst omdat hij het niet de hoogte in tilt. Je kunt hem beter bedanken omdat hij het in het juiste licht plaatst en eerder praat over de verleidingen van het priesterschap, die meestal onzichtbaar, sluipend en nutteloos zijn voor belanghebbenden en voor de Kerk. De verleiding om van het priesterschap een carrière te maken zoals alle andere, met promoties, bonussen, specialisaties en posities van invloed (politiek of sociaal) is in het verleden een grote bron van ongeluk, manipulatie en afstand geweest.

In schril contrast hiermee en met het denken van Franciscus is deze anekdote die ons een Anglicaanse bisschop vertelde in Tokyo toen het Tweede Vaticaans Concilie ten einde liep en die op dramatische wijze aangeeft tot welk niveau het werk van de leken in de Kerk teruggeb was.

Een driemotorig vliegtuig vliegt over Europa en één van de motoren valt uit. De piloot kondigt vervolgens via de intercom van het vliegtuig aan: “Dames en heren, de motor in de staart is zojuist uitgevallen, maar ik verzoek u om kalm te blijven. Met twee motoren kunnen we onze vlucht voortzetten en zodra we een vliegveld tegenkomen, zullen we een noodlanding maken.” Kort daarop zien de passagiers met grote schrik dat de linker motor in brand staat. Onmiddellijk zegt de piloot: “Maakt u zich geen zorgen, er zijn vele luchthavens in Europa en we zoeken de dichtstbijzijnde om daar een noodlanding te maken. We kunnen het redden met één motor.” Onmiddellijk daarop zien de reizigers vonken en vuur opschieten uit de motor rechts. De piloot: “Nu hebben we echt een probleem. Ik zal doen wat ik kan. Bereidt u zich voor op elke eventualiteit. Ik adviseer u om uw hoofd laag te houden en te steunen tegen de stoel voor u.” Op dat moment staat een oude vrouw op die tegen de passagiers zegt: ‘Alsjeblieft, laat iemand iets religieus doen.’ Hierop staat een leek op die begint te collecteren.”

Humor

In zijn interview in El País (22 januari 2017) antwoordt de paus bij wijze van reactie op de opmerking van d journalist dat de paus gelukkig lijkt te zijn als paus: “God is goed voor mij geweest en hij heeft mijn gevoel voor humor niet weggenomen.” Ik kan me voorstellen dat om in het Vaticaan te wonen en om een evangelische visie te behouden terwijl je zoekt naar politieke evenwichten te midden van allerlei manipulaties, jeeen goed gevoel voor humor moet hebben en dat niet moet verliezen hoe brandend de problemen ook zijn. Herinneringen aan situaties waar Franciscus zijn gevoel voor humor toont, zijn ontelbaar; jammer dat ik ze niet allemaal kan noemen. Het zou langdradig worden en ik ben er niet zeker van dat dit zou helpen om serieus te nemen wat de paus zeer serieus neemt. Je kunt gerust zeggen dat God (de grote humorist) niet alleen het gevoel van humor van de paus niet heeft doen afnemen, maar dat dit zelfs is toegenomen.

Tijdens de ontmoeting van algemene oversten van 2013 stelde de overste van de kapucijnen de paus de volgende vraag: “Volgens het kerkelijk recht kunnen broeders (die niet gewijd zijn) geen overste worden van een gemeenschap waar geestelijken lid van zijn. Is het te verwachten dat dit zal veranderen?” De paus richtte zich tot degene die tot voor kort algemene overste van de franciscanen was en zei: “Toen ik bisschop van Buenos Aires was, hadden jullie een broeder als overste van een gemeenschap - Hoe deden jullie dat?”

Bisschop Carballo, secretaris van de Congregatie voor het godgewijde leven, was niet voorbereid op een dergelijke vraag en kon geenpolitiek correct antwoord geven en zei toen maar de waarheid: “We besloten maar om er niets van te zeggen.” Een groot gelach, ook van de paus, barstte los. Opvallend was dat paus Franciscus op geen enkele manier aangaf dat hij er aanstoot aan nam, hij voegde zelfs toe: “Dit is een manier om het te doen.” Vervolgens citeerde hij ons een spreekwoord dat hij in zijn jonge jaren had gehoord en verhoogde zo onze vrolijkheid nog meer

Gezond verstand

De paus vindt het heel belangrijk dat zijn medewerkers te werk gaan met gezond verstand. Hoeveel schandalen en misverstanden zouden we niet hebben kunnen voorkomen met een eenvoudig en intelligent gezond verstand. Liturgische of disciplinaire normen zijn altijd onderwerp van interpretatie omdat ze moeten worden toegepast door verschillende personen op verschillende gemeenschappen of individuen. Hoe beter we de mensen kennen, des te beter zijn we in staat om ze correct en met wijsheid te interpreteren. Wanneer het gezond verstand ontbreekt, worden allerlei voorschriften beklemmend en verwordt het christendom tot een cultuur zonder hoop.

Toen Bergoglio kardinaal-aartsbisschop van Buenos Aires was, hoorde hij van een liturgische viering in Sarajevo bij een temperatuur ver onder het vriespunt die de kardinalen deed verkleumen. Iemand kreeg het idee om kleine glaasjes cognac uit te delen om het zo weer warm te krijgen; in die liturgie was alle ruimte voor zorg voor de gezondheid en menselijkheid. Toen Bergoglio tot paus verkozen was, duurde het niet lang voordat hij deze persoon benoemde tot aalmoezenier van de Heilige Stoel. Hij moedigde hem aan om in Rome te komen wonen, dichter bij de armen te zijn en om gebruik te maken van zijn gezond verstand.

Hoe lang zal paus Franciscus paus blijven?

Misschien is dit de vraag die iedere katholiek zich stelt. Ik heb in ieder geval het antwoord niet en we zullen haar echt moeten laten waar zij is: in Gods handen. Naar aanleiding van mijn gesprekken met de paus kan ik alleen maar zeggen dat de gedachten van de paus hierover veranderen al naar gelang zijn onderscheiding over de Kerk. Om te beginnen is het voorbeeld van Benedictus van groot belang. Toen we spraken over mijn ontslag uit de functie van algemene overste zei hij: “Ikzelf denk eraan de uitdaging van Benedictus serieus in overweging te nemen.”

Maar een paar maanden later, met als context dat het niet goed is voor de Kerk om een paar stappen vooruit én een paar achteruit te zetten (alsof zij onzeker was waarheen te gaan) vertelde Franciscus me: “Ik vraag de goede God om mij tot zich te nemen wanneer de veranderingen onomkeerbaar zijn.” We zijn in de handen van God.

Wij, van onze kant, wensen dat Franciscus paus zal zijn voor vele jaren, maar we weten dat ons verlangen in de handen van God is.

Met dank aan Mensajero, tijdschrift van de Spaanse jezuïeten, waarin deze terugblik oorspronkelijk werd gepubliceerd