Hans van Leeuwen sj

Terug

‘Je leeft niet voor jezelf, maar je leeft om er te zijn voor…’

Hans van Leeuwen was twee keer provinciaal van de Nederlandse jezuïeten. Hij maakte roerige tijden mee, maar bleef zijn roeping trouw. ‘Ik vond een weg om zinvol te leven.’

Op het bureau van Hans van Leeuwen ligt een dik boek. Het is geschreven in het Duits. Onlangs is hij er in begonnen, in deze minutieuze analyse van het Evangelie volgens Johannes. Studeren gaat in een ander tempo dan vroeger, misschien ook wel op een ander niveau, maar hij studeert nog. De honger is na al die jaren niet gestild.

Het boek begint met de eerste woorden van Johannes: ‘In het begin was het Woord’. Van Leeuwen kent ze, vanbinnen, vanbuiten, en toch, verdraaid, hij kan er met nóg andere ogen naar leren kijken. ‘Ik ben nog steeds bezig te ontdekken wie Jezus is’, zegt hij. ‘Daar ben je nooit klaar mee.’

Als jongen van achttien trad hij toe tot de sociëteit van Jezus. Altijd jezuïet gebleven. Dat was niet vanzelfsprekend. Want toen hij in 1976 provinciaal van de Nederlandse jezuïeten werd, nam hij het roer over van zijn medebroeder die in de jaren daarvoor honderd jezuïeten begeleidde in hun weg uit de orde. ‘Het waren roerige tijden. Jonge mensen vroegen zichzelf af: heeft dit nog wel zin? Is het zinvol om ongehuwd te zijn en je leven zo aan de kerk te verbinden? Veel van mijn vrienden zeiden: ik ga iets anders doen. Huub Oosterhuis bijvoorbeeld, die is van hetzelfde jaar als ik.’

Van Leeuwen bleef. Niet omdat hij het totaal oneens was met de mannen die uittraden, maar hij trok andere conclusies. Ja, verandering was nodig en ja, de kerk moest vernieuwen, maar hij vond ook dat je alleen recht van spreken had als je daar al je krachten aan gaf. ‘Het heeft weinig zin om van buitenaf te roepen. Als het kan blijf je in de kerk en kijk je wat je daar kunt doen. Dat is mijn weg geweest. Niet altijd de makkelijkste, maar ik vond er wel altijd voldoening in.’

Dat leven is niet van jou

De katholieke kerk, de orde der jezuïeten, de wereld misschien zelfs, ze kantelden tijdens zijn leven. Van Leeuwen groeide op in een tijdperk en een milieu waarin geloven in God vanzelfsprekend was. Een jongen kon zonder verheven gedachten bedenken: ik word priester. Maar om dit prilste verlangen priester te willen worden, geeft Van Leeuwen zelf niet zoveel. Het was niet deze eerste liefde die ervoor zorgde dat hij priester bleef en de jezuïeten nooit vaarwel zei.

Welbeschouwd ontdekte hij God pas echt toen hij intrad. ‘In mijn noviciaat ervoer ik dat er zoiets als een God is.’ Goed, zegt hij, ‘als ik over Hem spreek, sta ik met een absolute mond vol tanden’, maar de ervaring van die Aanwezigheid heeft hem bij de kerk gehouden. ‘En de figuur van Jezus van Nazareth. Ook die ontdekte ik pas in het noviciaat.’

In God, in de Bijbel – ‘de neerslag van een religieuze ervaring van mensen’ – vond hij een weg om zinvol te leven. ‘Ik zag door die Bijbel dat je als mens een religieuze ervaring kunt hebben. Dat je gedragen bent in je leven. Dat het leven waarvan je zegt: dat zal ik zelf wel eens gaan organiseren, dat dat leven helemaal niet van jou is. Maar dat het een geschenk is. En dat het een hele opgave is daarin het goede antwoord te vinden.’

Ik ben er

Van Leeuwen bergt in zijn geschiedenis de warme afdruk van een gelukkig gezinsleven. Hij werd geboren als oudste zoon. De oorlog viel samen met zijn lagere school. In de kerk deed hij ijverig zijn best als misdienaar en als lid van het jongenskoor. Het geloof groeide spontaan in hem. Toen hij naar de middelbare school ging, vertelde hij zijn ouders dat hij priester wilde worden.

Hij spreekt over twee wijze ouders. Ze lieten niet toe dat hij naar het kleinseminarie zou gaan. Nee, ga maar naar een gymnasium, puber maar lekker in de veiligheid van het gezin. ‘Ik kwam op de school van de jezuïeten in Den Haag terecht, het Aloysiuscollege. Daar ontdekte ik dat je op verschillende manieren priester kunt worden. Ik kende alleen het parochiewerk. Maar je kon ook priester én leraar worden, of een baan in de wetenschap hebben, of het sociale werk ingaan. Bovendien zag ik dat je priester kunt zijn in een religieuze gemeenschap.’

Na zijn examen wilde hij jezuïet worden. Hij werd ondergedompeld in het noviciaat, doorliep de Geestelijke Oefeningen en ontdekte de Bijbel. ‘Het religieuze leven sprak me aan. Ik kan dat misschien het beste omschrijven als een antwoord geven op degene die wij zijn gaan noemen: ‘Ik ben er.’

Die ‘Ik ben er’ gaf het leven van de jonge Van Leeuwen richting en perspectief. ‘Ten eerste omdat ik ontdekte dat er iemand was voor mij. Maar ook dat het waardevol is er te zijn. Voor jou en voor ieder ander. Je leeft niet voor jezelf, maar je leeft om er te zijn voor… En dat geeft zin aan je leven. Niet alleen aan dat van een jezuïet. Dat ‘er zijn voor’ kun je op een heleboel manieren beleven. In een huwelijk bijvoorbeeld, dat is ook ‘een zijn voor’.’

De telefoon ging

Na het noviciaat studeerde Van Leeuwen drie jaar filosofie in Nijmegen als onderdeel van zijn priesteropleiding. ‘Daar zeiden de professoren: jij hebt aanleg, je zou zelf filosoof moeten worden.’ Dat zag hij wel zitten maar ‘tegen het einde van mijn studie kreeg ik een telefoontje, zoals bij de jezuïeten wel vaker gebeurde’. Hij was ergens anders nodig. ‘Ik werd begeleider op een internaat waar ik vier jaar optrok met negentig jongens tussen de twaalf en de zestien jaar.’

Daarna begon zijn studie theologie. Hij was hongerig. ‘Ik studeerde graag en ik kon dat ook goed. Mijn professoren zeiden: jij moet theoloog worden.’ En dat was ook het plan. Na zijn priesterwijding zou hij doorgaan voor een promotieonderzoek. Maar de telefoon ging. Novicemeester Piet van Breemen had een assistent nodig, of hij daar misschien… ‘Dat deed ik, maar in dat jaar schreef ik tegelijk mijn proefschrift over Paul Tillich, een protestantse theoloog.’

‘Wat moet ik met mijn leven?’

Van Leeuwen werd theoloog en niet filosoof. Eerst bij het Hoger Katechetisch Instituut in Nijmegen, waar ze na Vaticanum II een Nieuwe Katechismus schreven om de draai van het concilie uit te dragen. Daarna ging hij naar Amsterdam om theologie te doceren. ‘Maar na zes jaar was het schluß. In 1976 werd ik benoemd als provinciaal. Ik was begin veertig en kreeg de leiding over alle Nederlandse jezuïeten.’    

Besturen zit Van Leeuwen in het bloed, want twintig jaar later in 1995 werd hij opnieuw provinciaal van de Nederlandse jezuïeten. In de tussengelegen jaren merkte hij dat theologie bedrijven voor een groep studenten of achter een bureau, gebogen over boeken, hem minder aansprak. ‘Ik had geroken aan mensen. Ik wilde wel vanuit de theologie werken, maar dan vooral met mensen. Dat had tot gevolg dat mijn aandacht meer verschoof naar spiritualiteit.’

Terugblikkend op zijn leven, ziet hij in deze verschuiving een verdieping die samenhang aanbrengt in zijn hele leven. ‘Ik kan wel zeggen dat ik mij het meest priester of religieus voel wanneer ik met mensen op weg mag zijn die zeggen: wat moet ik eigenlijk met mijn leven? Dat is mijn manier van ‘er te zijn voor’.’

Iets wezenlijks

Maar dat niet alleen, de spiritualiteit bracht zijn leven in de juiste balans. ‘Mijn leven bestaat uit allemaal lapjes van vier jaar of zes jaar. Toch beleef ik alles als eenheid. Dat komt doordat mijn leven zich voltrok in een driehoek: spiritualiteit (de wortel), theologie en besturen. Die wortel zit in de ervaring, maar die ontglipt je als je er niet over na blijft denken. Ik vind het heel wezenlijk dat theologie en spiritualiteit bij elkaar horen. Spiritualiteit zonder theologie – wat wil zeggen: zonder reflectie op die ervaring – wordt makkelijk wolkig.’

‘Terwijl als theologie niet de reflectie is op een gelovige ervaring, ze abracadabra wordt, hogere wiskunde. Alsof wij bij God op de tafel kunnen kijken. Zonder ervaring is theologie alleen maar godsdienstwetenschap.’

Dat laatste is theologie tot zijn verdriet op veel universiteiten geworden. Dat begon al in de jaren zeventig toen hij zelf nog studenten had. ‘Ik had volgens hen niets te maken met die ervaring, die was privé. Ik was daar om te leren hoe theologisch denken verloopt en hoe dat verschilt van filosofisch of natuurwetenschappelijk denken. Maar er waren altijd een paar studenten die wilden doorpraten. Dus kreeg ik gespreksgroepen waarin we het hadden over wat bidden is en wat geloven is. Daar voelde ik mij op m’n plek. Ik ben geen godsdienstwetenschapper. Ik wil dieper komen bij waarover het gaat in mijn leven.’

Lesje bestuurskunde

Maar bij enkel ervaringen en reflectie daarop, wil Van Leeuwen het ook niet houden. Om ervaringen vruchtbaar te maken, is het nodig het leven te ordenen. ‘Daarom is besturen ook belangrijk. Je moet iets met je ervaringen. Je moet er de wereld mee veranderen.’

Jezuïet-zijn betekent voor Van Leeuwen ‘in een voortdurende relatie met de figuur Jezus leven. Hij die voor mij werkelijk de Levende is, zoals Edward Schillebeeckxzegt. Ik ben een gezel van Jezus. Aan Hem toets ik wat ik moet doen.’ Dat doet hij door dagelijks te bidden en de eucharistie te vieren. In zijn meditaties vraagt hij zichzelf af: wat komt er vandaag op mij af en hoe zou ik daar in gaan en hoe zou Hij daar in gaan?’

Zoeken naar de wil van God. Toen Van Leeuwen voor de tweede keer provinciaal werd, werd hij bestuurder van iets anders. Ten opzichte van de eerste keer waren de tijden veranderd, was de sociëteit anders en was hij anders. Een van de dingen die op hem afkwam, was het overdragen van praktisch alle middelbare scholen van de jezuïeten. ‘Ook zo’n beslissing onderzocht ik biddend. Ik oriënteerde mij samen met de andere jezuïeten zo goed mogelijk in de realiteit. Is het werkelijk zo dat wij de scholen niet meer kunnen leiden, wat toen werd beweerd. Zitten wij werkelijk aan onze grens? Zijn er misschien andere mogelijkheden en oplossingen?’

‘Daarna komt de vraag: wat moeten wij nu doen? Hebben wij alle mogelijkheden werkelijk uitgeput? Moeten we misschien parochies opgeven en iedereen omvormen tot leraar? Maar een beslissing neem je uiteindelijk niet alleen rationeel, je moet je gezamenlijk en persoonlijk onderscheidend afvragen: is dit werkelijk het antwoord dat God van ons vraagt? Daarvoor moet je de feiten kennen. Een gebedskeuze kun je pas maken als je helemaal in de realiteit bent ondergedoken.’

Theologie van onderen

Want als Van Leeuwen één ding in de theologie en in het dagelijks leven heeft ontdekt, is het dat er geen blauwdruk is van de wil van God. ‘Openbaring is weliswaar een kernbegrip in de theologie, maar het betekent eigenlijk niet: God openbaart zich. Nee. Mensen maken dingen mee – ze leven hun leven. De woorden die ze geven aan hun ervaring met God, daarin wordt God openbaar. Zo doende is God bezig met de mens, het gebeurt in het leven van die mens. ’

Het ooit vanzelfsprekende geloof van Van Leeuwen, veranderde door dit inzicht geleidelijk. ‘Geloof is niet iets dat van boven komt en wat je aan te nemen hebt. Je moet ervoor te rade gaan in je ervaringen en je moet leren om daarop te vertrouwen.’ Hij zegt erbij dat je daarvoor wel ruimte moet maken in je leven. En dat het stil moet worden. ‘In de stilte raak je aan het hart van je leven. Ik zie dat mensen daar bang voor zijn. Tegenwoordig vullen wij die leegte liever op. Maar je hebt momenten nodig om je leven op de rails te zetten. Tijd en ruimte waarin de vraag kan bestaan: waarover gaat het nu eigenlijk echt in mijn leven?’

Van Leeuwen valt in die momenten terug op de Bijbel. Daarin ligt voor hem de weg naar God. Maar ook die Jezus – waar hij nog altijd op studeert en over wie hij nog altijd nieuwe ontdekkingen doet – staat daarin centraal. ‘Ignatius is ervan overtuigd, en die gedachte is mij erg dierbaar, dat niemand ooit God heeft gezien. Jij niet, ik niet. En toch heeft Hij een gezicht gekregen. In Christus kunnen wij zien wie God is en hoe wij min of meer moeten zijn, want Hij is ook beeld van de mens. En daarom is die Jezus zo belangrijk.’

Interview door Rick Timmermans